Trainersgids / Opnemen en materiaal

Je slides en werkboek hergebruiken zonder ze te kopiëren

Zaalslides staan vol halve zinnen die alleen werken met jouw stem erbij. Zo maak je er materiaal van dat op zichzelf staat.

24 juni 2026  ·  4 minuten lezen

Je hebt een deck van zestig slides en een werkboek van veertig pagina's. Dat is jaren werk en het ligt er al. De verleiding is om het één op één te gebruiken voor je online programma. Dat gaat mis, om een reden die je in de zaal nooit merkt.

Waarom zaalmateriaal online niet werkt

Zaalslides zijn geen documenten, het zijn achtergronden. Ze staan vol steekwoorden, een model met vier vakjes en af en toe een foto. Ze werken omdat jij ervoor staat en de zinnen afmaakt.

Zet diezelfde slide in een video en er gebeurt iets vervelends: de kijker leest de steekwoorden sneller dan jij ze uitspreekt, is klaar en gaat wachten. Of hij begrijpt het vakje niet omdat de uitleg niet in beeld staat en spoelt terug. Beide leiden af van wat je zegt.

Voor een werkboek geldt hetzelfde in spiegelbeeld. Een zaalwerkboek gaat ervan uit dat er iemand rondloopt die uitlegt wat de bedoeling is bij opdracht zeven. Online is die iemand er niet.

Wat je met slides doet

Er zijn drie soorten slides in een zaaldeck en ze krijgen elk een andere behandeling.

Titelslides en overgangen kun je grotendeels weggooien. In een video is de titel het onderdeel zelf. Wie een video van elf minuten aanklikt die heet zoals hij heet, heeft geen titelslide nodig.

Modellen en schema's zijn goud waard en hoeven meestal alleen groter en rustiger. Haal de vier bijschriften eraf die je toch uitspreekt, maak de lijnen dikker en bouw het model op in stappen als je het toch stap voor stap uitlegt. Dat opbouwen kost tien minuten en scheelt de kijker veel.

Opsommingen zijn het probleem. Vier steekwoorden onder elkaar zijn in de zaal een geheugensteun voor jou en online een leesopdracht voor de kijker. Vervang ze door één woord tegelijk in beeld, of laat ze helemaal weg en praat gewoon.

Vuistregel: per beeld één idee. Heb je vier punten, dan zijn dat vier beelden of het is geen beeld.

Wat je met het werkboek doet

Loop je werkboek langs en markeer per pagina wat het is: uitleg, opdracht, invulruimte of naslag.

De uitleg gaat grotendeels naar de video's. Dubbel materiaal is verwarrend, want de deelnemer weet niet welke van de twee de bron is.

De opdrachten blijven, maar ze moeten uitgeschreven worden. Wat in de zaal een zin was, wordt online een blokje met: wat ga je doen, hoe lang duurt het, wat heb je ervoor nodig en waar weet je aan dat je klaar bent. Vooral dat laatste ontbreekt bijna altijd, terwijl dat het punt is waarop iemand thuis afhaakt.

De invulruimte blijft en wordt beter als je hem tot een apart vel maakt dat de deelnemer per week kan printen. Eén werkblad per week werkt beter dan één document van veertig pagina's dat mensen openen en meteen weer sluiten.

De naslag zet je apart. Een woordenlijst, een checklist of een overzicht is precies het soort ding dat deelnemers na afloop bewaren en aan collega's laten zien.

Bewaar wat werkt in de zaal

Je hebt na jaren trainen een voorraad die geen enkele nieuwkomer heeft: voorbeelden die het altijd doen, vragen die altijd komen en de zin waarmee het kwartje valt.

Schrijf die op voordat je gaat opnemen. Vooral de vragen die altijd komen, want elke vraag die in de zaal wordt gesteld, leeft ook bij de kijker thuis. Alleen kan hij hem niet stellen. Een video waarin je die vraag zelf opwerpt en beantwoordt, voelt voor de kijker alsof je meedenkt.

Dit is meteen de reden dat een ervaren trainer een beter online programma maakt dan iemand die de stof alleen uit een boek kent.

Eén set, twee toepassingen

Wat je maakt voor online, kun je bijna altijd terug de zaal in nemen. Rustiger slides met één idee per beeld werken ook voor een groep. Werkbladen met een duidelijk eindpunt werken ook op tafel.

Andersom werkt het niet. Dat is de kern. Bouw je materiaal voor de strengste situatie, dus voor iemand die alleen thuis zit zonder jou erbij. Het houdt overal stand.

De volgorde

Ontleed eerst je dag zoals in je zaaltraining ontleden tot een programma staat, want dan weet je welke blokken je overhoudt. Maak daarna per blok het beeld en het werkblad. Neem pas op als beide klaar zijn, anders sta je tijdens de opnamedag te improviseren met slides die niet kloppen.

Het ontleedschema heeft een kolom waarin je per blok invult welk materiaal er nog moet komen. Dat is meestal het moment waarop het werk zichtbaar wordt: niet de opnames kosten de meeste tijd, maar het materiaal eromheen.

Verder lezen